Maar eerst een verplicht bezoek aan het dorpspleintje. Want geen plein van die omvang heeft, waar ook ter wereld, een zo groot aantal monumenten. Als afspiegeling van de etnische groepen die het district bevolken vind je er een Hindoestaans, een Boeroe, een Javaans, een Indiaans en een keti koti (afschaffing slavernij) monument. Want tegenover Groningen ligt de bakermat van de Nederlandse kolonisten die in 1845 aankwamen en in grote mate het gezicht van de omgeving hebben bepaald.
Even dus wat geschiedenis. Groningen is vernoemd naar de geboorteplaats van gouverneur Jan Wichers. In 1790 bouwde hij op de hoge schelpenrits het fort Groningen aan de linkeroever van die idyllische rivier. En tot 1845 zou het vooral een legerplaats blijven. Op het Nederlandse platteland werden de boeren in die jaren geteisterd door armoede, mislukte oogsten en werkeloosheid. Terwijl er in Suriname steeds meer plantages werden verlaten (slavenhandel was al verboden, de slavernij (1863) bijna), dus er was bouwland te over. Zo ontstond in Nederland het kolonisatieplan: de vestiging van 200 gezinnen naar Suriname die er als zelfstandige boeren in hun eigen onderhoud zouden gaan voorzien. Maar de plantagehouders zaten allerminst te wachten op blanken die in het zweet huns aanschijns op het land zouden werken: slecht voorbeeld voor de slaven! Dus werkte het lokaal bestuur tegen waar het maar kon en koos men voor een plek, ver van de stad: Groningen, maar uiteindelijk werd het Voorzorg, aan de overkant van de rivier, veel lager gelegen moerasgrond. Op 10 mei 1845 vertrok een groep met de zeilschepen Suzanna Maria en Noord-Holland. En toen die 202 eerste kolonisten die swamp zagen brak er gejammer uit: de meesten wilden niet eens van boord! De belofte was: elk een eigen akker, deels bebouwd, een eigen huis met tafel en twee zitbanken, gereedschap, vee, pluimvee…Niks was er! Hooguit een paar nauwelijks bewoonbare hutten, half gebouwd boven een niet afgedamde kreek). De sluizen waren kapot, de grond niet bewerkt. In de derde week brak er een ziekte uit (waarschijnlijk cholera, door de barre omstandigheden). Toen ze uiteindelijk naar de overkant mochten waren er 184 overleden, 7 aangetast door de ziekte en slechts 11 gezond. Toch zouden er nog meer schepen met kolonisten komen. En uiteindelijk zou het de boeroes met veel volharding en noeste arbeid steeds beter gaan en kropen hun landerijen steeds meer naar de stad toe, tot aan de Kernkampweg (Academisch Ziekenhuis) en de Gemene Landsweg. Inmiddels zijn ze volledig geassimileerd, hebben ze de zelfde Surinaamse tongval, al heten ze nog steeds Van Dijk, Tammenga, Van Brussel en Overeem en al zijn ze in veel gevallen lelieblank of licht gekleurd.
Ze koesteren hun geschiedenis en voor veel nazaten die terug naar Nederland zijn gegaan vormen Groningen, Voorzorg (er bestaan plannen voor een openlucht museum) en vooral het ontroerende boeroe monument een bedeplaats oord.